De geschiedenis van Oosterse studies aan de K.U. Leuven

Sino-Japanse bibliotheek

 Oriëntalistiek te Leuven

Een keuze uit historische mijlpalen

Oost en West: van beeld naar wetenschap en terug!

De Oosterse wereld heeft te allen tijde het Westen gefascineerd. Van het Oosten hebben altijd de meest tegenstrijdige voorstellingen naast en na elkaar bestaan: van het beeld van de Turk tot dat van de Chinees, van de dichterlijke vervoering van Marco Polo tot de tekeningen van Hergé, van de Zen-invloeden tot de angst voor het Gele Gevaar, van het filosofische rijk van Voltaire tot het oosters despotisme bij Montesquieu, van het oogverblindende Indië der maharadja’s tot het Japan van Madame Butterfly.

De verschillende betekenissen van het woord “oriëntalistiek” illustreren trouwens de verscheidenheid in benadering van een totaal andere wereld. Van de Middeleeuwen tot het einde van de 20e eeuw hebben literaire en picturale stijlrichtingen zowel als academische disciplines hun specifieke interpretaties van culturele fenomenen in een vorm gegoten waarbij tijd en plaats, persoon, omstandigheden en modeverschijnselen vaak doorslaggevend zijn.

De universiteit is een tempel van de wetenschap waar los van elke emotionele benadering feitenmateriaal en kennis worden bijeengebracht en bewaard. Maar ook daar wordt heftig gedebatteerd, in en buiten de veilige beslotenheid van bibliotheken, seminaries en werkkamers. Tot zeer onlangs nog waren er hevige debatten tussen de voorstanders van een overtrokken, radicaal verschil tussen Oost en West en de verdedigers van minder diepgaande verschillen, uitgaand van fundamentele overeenkomsten tussen beide uiteinden van het oude Euraziatische vasteland. Het meest recente werk van antropoloog Jack Goody uit Cambridge is in dat opzicht zeer interessant. Andere discussies trekken de logica waarmee het Westen de Oosterse realiteit interpreteert, in twijfel. Meer dan twintig jaar geleden al formuleerde Edward Saïd scherpe kritiek op de typisch westerse opvattingen terzake. Een andere tegenstelling roept het boeddhisme op, de “cultus van het niets” zoals Roger-Pol Droit het zo uitdagend formuleert. Ook de interpretatie van de Heilige Schrift in het brandpunt van de modernistische controverse lokt discussies uit, zoals onlangs nog is gebleken uit de indrukwekkende doctoraatsverhandeling van Luc Courtois, gewijd aan Paulin Ladeuze.

In de breedste zin kadert de traditie van de Leuvense oriëntalistiek in een Europese oriëntalistiek met alle stromingen die daarin een rol hebben gespeeld. De inbreng van Leuven heeft daarin altijd eigen accenten gelegd, een eigen stem laten horen.

 

De Oude Universiteit en het Gewijde Oosten

Van de 16e tot de 20e eeuw zou Leuven een vooraanstaande plaats bekleden in de studie van de Oosterse wereld, als voorwerp van zowel het humanisme, de theologie en de godsdienstwetenschappen als van de wijsgerige, filologische, historische en literaire disciplines.

In deze context was de eerste belangrijke gebeurtenis ongetwijfeld de stichting, in 1517, van het Collegium Trilingue door de Mechelse kanunnik Hiëronymus van Busleyden (ca. 1470–1517). De humanist en diplomaat van Busleyden was bevriend met Thomas Morus en met Erasmus van Rotterdam. Deze laatste overtuigde hem zijn fortuin te besteden aan de stichting van een college waar de drie gewijde talen zouden worden onderwezen: Hebreeuws, Grieks en Latijn. Zo werd het Hebreeuws de eerste Oosterse studietaal te Leuven.

Het nieuwe college, dat model zou staan voor het “Collège Royal”, het latere Collège de France, door Frans I in 1530 opgericht op voorstel van Guillaume Budé, had een duidelijk religieuze doelstelling. De theologiestudenten moesten beschikken over een grondige kennis van het Latijn, het Grieks en het Hebreeuws, een onmisbare voorwaarde voor een correcte verklaring van de Bijbel. Die aanpak leidde tot de formulering en de uitdieping van de basisprincipes van een historisch-filosofische benadering zoals Erasmus die voorstond, maar die pas in de 19e eeuw tot volle ontplooiing zou komen.

Al vlug bleek het wenselijk andere talen toe te voegen aan het onderwijs in het Leuvense college. Een van de eerste professoren in de studie van het Hebreeuws was Nicolaas Cleynaerts (Nicolaus Clenardus). Hij was ervan overtuigd dat de studie van het Arabisch kon leiden tot een beter begrip van het bijbelse taalgebruik. Hij vertrok naar Parijs en reisde daarna naar Spanje en Portugal. Uiteindelijk trok hij zelfs naar Marokko om er zijn kennis uit te breiden. In 1542 stierf hij in Spanje, zodat hij er niet meer toe kwam zijn verworven kennis ook aan de Leuvense universiteit ten nutte te maken.

De aankomst in Leuven enkele decennia later van de Kopt Abu-Dhaqn (Abudacnus) was een nieuwe kans om de waaier van Oosterse studies te Leuven aanzienlijk te verbreden. Hij was door de patriarch van Alexandrië aanbevolen bij paus Clemens VIII, had zich tijdens zijn verblijf in Rome bekeerd tot het katholicisme en genoot hier van de bescherming van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Op hun aanbeveling werd hij door de academische overheid van Leuven uitgenodigd om er Oosterse talen te doceren; hij had een reputatie als kenner van Hebreeuws, Chaldeeuws, Syrisch, Arabisch, Turks, Grieks, Italiaans, Latijn, Frans en een beetje Spaans en Engels. Het experiment mislukte echter en na een jaar vroeg hij uit zijn functie ontheven te worden.

Pas bij de heroprichting van de Universiteit in 1835, na de relatieve inertie van de zeventiende en achttiende eeuw en de verwikkelingen van de Franse Revolutie en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, kon de traditie van het Collegium Trilingue in ere worden hersteld en tot een nieuwe bloei komen.

 

De toestand op het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw

Het klimaat was in feite totaal veranderd, niet alleen in België maar in gans Europa.

 

De opening naar Indië en naar het Verre Oosten

Het Oosten had geleidelijk aan de deuren geopend voor de westerse wereld en was zelf ook geëvolueerd. In het spoor van de grote ontdekkingsreizen waren de missionarissen gekomen, in hoofdzaak jezuïeten en franciscanen, en uiteraard de handelaars. Later volgden diplomaten, militairen, wetenschappers en gewone reizigers. Zo had het westerse, mythisch gekleurde beeld van Indië, China, Japan en de andere landen van het Verre Oosten en van Zuidoost-Azië ook een grondige wijziging ondergaan.

De 18e eeuw was de eeuw van China, al hadden de jezuïeten de poort van het Hemelse Rijk al op een kier gezet sinds het midden van de 17e eeuw. De Ritenstrijd bracht China in de religieuze actualiteit. Voor de filosofen der Verlichting en de Encyclopedisten, zoals Voltaire, werd China het symbool van de ideale staat, gegrondvest op de persoon en de doctrine van Confucius. Maar er waren ook meer genuanceerde en grondig verschillende opvattingen, zoals die van Montesquieu.

De ontwikkeling van de handelsbetrekkingen leerde het Westen ook Chinese producten ontdekken of herontdekken, zoals de zijde, die al bekend was in het antieke Rome, en het porselein, dat weldra in de interieurs van alle welgestelde Europeanen te vinden was – hetzij originele stukken hetzij imitaties uit Hollandse, Duitse of Franse ateliers.

Indië was geen onbekend terrein maar werd in de internationale context eerder beschouwd als een uitzonderlijke markt, een bevoorradingsplaats in specerijen, een feeëriek universum en het terrein van een harde confrontatie tussen Frankrijk en Engeland.

Arabië, Perzië en Turkije vormden het échte Oosten, relatief dichtbij en vaak geduchte concurrenten op het vlak van politiek, handel of godsdienst. Hier speelden zowel materiële als geestelijke belangen een rol en waren de contacten zowel van speculatieve als van praktische aard.

Onopvallend in het geheel van contacten maar zeer belangrijk was de rol van de wetenschap. In Engeland, maar nog meer in Frankrijk, kwamen verzamelingen van boeken en manuscripten tot stand. En ook al domineerden politieke en economische belangen, de bouwstenen voor een echte filologische, linguïstische, historische en culturele benadering waren duidelijk aanwezig.

 

De Oosterse Renaissance

Vanuit het oogpunt der Oosterse studies zowel als op andere gebieden was de overgang van de 18e naar de 19e eeuw, grosso modo de jaren 1770 tot 1830, van fundamenteel belang. Voor sommigen is er hier echt sprake van een “Oosterse Renaissance”. De ontdekking van oude teksten uit de Indische traditie en de toenemende kennis van het Sanskriet, beschouwd als de moeder van de westerse talen, was hiervoor een krachtige impuls, misschien zelfs meer dan de herontdekking der basisteksten van de antieke wijsbegeerte in de 15e en de 16e eeuw. Enkele gebeurtenissen leveren daarvan een sprekend bewijs.

Frankrijk kende rond de eeuwwisseling een toenemend aantal invloedrijke personen en prestigieuze instellingen; sommigen beschouwden Parijs als het Mekka van de Oosterse studiën.

De studie van het Sanskriet kreeg een eerste impuls dankzij Anquetil-Duperron (1731-1805), al legde die zich verder toe op het bestuderen van de Avesta-teksten uit de Perzische oudheid. A. L. de Chézy (1774–1832) bekleedde de eerste Europese leerstoel Sanskriet, in 1814 opgericht aan het Collège de France; hij liet zich echter teveel verleiden door een exotische en romantische benadering. Zijn opvolger, Eugène Burnouf (1775–1844) hield het bij een strikt wetenschappelijke, filologische aanpak waarbij hij de grenzen van de eenvoudige tekststudie verlegde, zoals blijkt uit zijn indrukwekkende synthese Introduction à l’histoire du bouddhisme indien.

Van die periode af was de studie van het Chinees ook niet langer het exclusieve terrein van de jezuïeten. In 1814 werd aan Abel Rémusat (1788–1832) de eerste leerstoel Chinees aan het Collège de France toevertrouwd. Hij werd opgevolgd door Stanislas Julien (1799–1873) en Léon d’Hervey de Saint-Denys (1823–1892). De hele verdere 19e eeuw zou het Collège de France toonaangevend blijven in deze materie.

Andere disciplines bleven daarbij niet achter: egyptologie met Champollion, de studie van de Arabische, de Turkse en de Perzische wereld met Pierre Ruffin, Daniel Kiefer, Amédée Jaubert, Antoine Isaac Silvestre de Sacy en Jules Mohl, de studie van de semitische wereld met o.m. Etienne Quatremère (1782–1857) en Ernest Renan.

Die bedrijvigheid resulteerde logischerwijze in de stichting van instituten en de uitgave van teksten. De Société Asiatique de Paris werd gesticht in 1822 en publiceerde het Journal Asiatique, het eerste tijdschrift voor oriëntalistiek dat een ruime verspreiding kende. Diverse leerstoelen werden opgericht: aan het Collège de France, aan de École des Langues Orientales vivantes, ooit gesticht door Colbert met een strikt praktisch doel en terug leven ingeblazen door de Franse Revolutie; daarbuiten waren er gelijkaardige initiatieven in diverse universiteiten, studiecentra, musea en scholen de ganse 19e eeuw door.

In Engeland speelde de verovering van Indië een doorslaggevende rol. De aandacht ging daar uit naar administratieve, politieke en handelsactiviteiten en zelfs naar missionering. Dat alles gaf een eigen gezicht aan de Engelse oriëntalistiek. De Oosterse wereld werd benaderd en bestudeerd vanuit een brede waaier van interesses: zuiver utilitaire activiteiten zowel als universitaire analyse, het verzamelen van teksten, de studie van instellingen, rechtspraak, godsdienst, geschiedenis zowel als filologische en linguïstische arbeid. De belangrijkste namen zijn hier die van Warren Hastings (1732–1818), William Jones (1746–1794), Friedrich Max-Müller (1823–1900), Charles Wilkins (ca. 1750–1836), Henry Th. Colebrooke (1765–1837) en Alexander Hamilton (1762-1824) die de zuivere kennis van het Sanskriet op het vasteland introduceerde. In Oxford (1808 en 1832), Cambridge (1867), Edinburg (1862) en Londen (1833) werden eerst cursussen ingericht, daarna leerstoelen opgericht.

Naast de studie van de Indische wereld stonden nog andere sectoren van de oriëntalistiek in de belangstelling: van de 16e eeuw af werd ook het semitisme bestudeerd. Sinologie was vooral het werkterrein van missionarissen in het kader van de evangelisatie. Tot in het midden van de 19e eeuw bleef de studie erg beperkt maar toen werd de Chinese wereld brutaal opengebroken door de Opiumoorlogen.

De Engelsen stichtten ook tal van verenigingen. Eerst in de kolonies, zoals de Asiatic Society of Bengal in 1784 die de Asiatic Researches zou publiceren, daarna in het moederland: de Royal Asiatic Society in 1823 met een eigen publicatie, de Philological Society in 1842 en zelfs de British and Foreign Bible Society in 1804.

De Duitse oriëntalistiek rond de eeuwwisseling kende een gelijkaardig verloop, met eigen nuances. Die specifieke kenmerken hadden ongetwijfeld te maken met drie essentiële elementen van de Duitse intellectuele wereld: de lange filologische traditie, de indrukwekkende universitaire traditie die in de 19e eeuw grondig werd vernieuwd en de kracht en de eigenheid van de Duitse romantiek met haar zoektocht naar de bronnen en haar hang naar authenticiteit.

Friedrich Schlegel (1772–1829) is zeker een van de sleutelfiguren van de Duitse oriëntalistiek. Herder had hem vertrouwd gemaakt met het Hindoe-denken en in 1803 trok hij naar Parijs om er de manuscripten van de Keizerlijke Bibliotheek te bestuderen. Hij ontmoette er Hamilton die hem de beginselen van het Sanskriet bijbracht. Na zijn terugkeer in Duitsland publiceerde hij in 1808 een essay over de taal en de wijsheid der Hindoes, waarin hij voor het eerst het concept van een Oosterse Renaissance formuleerde. Raymond Schwab stelt terecht dat Schlegel gestalte gaf aan de Duitse “nood aan het Oosten”. Schlegel wist ook anderen te motiveren: zijn broer August-Wilhelm bekleedde van 1818 af de leerstoel Sanskriet te Bonn waar hij de filologische aanpak vorm gaf in een kritische tekst-uitgave. Franz Bopp (1791–1867) werd hoogleraar te Berlijn in 1821. Hij integreerde geleidelijk de studie van het Sanskriet in een nieuwe discipline: de vergelijkende linguïstiek die op lange termijn een essentiële rol zou spelen in het begrijpen van de Oosterse talen. Tussen 1833 en 1852 schreef hij zijn belangrijkste werk: een vergelijkende grammatica van het Sanskriet, het Zend, het Latijn, het Litouws, het Oudslavisch, het Gotisch en het Duits.

De universitaire activiteiten ontwikkelden zich in deze twee richtingen, niet enkel in Duitsland maar in het hele Germaanse, Scandinavische en Slavische cultuurgebied. Zo onder meer in Jena in 1820 (J.G.L. Kosegarten), in Halle in 1833 (A.F. Pott), in Helsinki in 1835 (I.U. Wallenius), in Breslau in 1840 (Fr. Stenzler), in Leipzig in 1843 (H. Brockhaus), in Greifswald in 1848 (A. Hoefer), in Heidelberg in 1852 (A. Holtzmann), in Göttingen in 1862 (Th. Benfey), in Wenen in 1855 (A. Boller), in Kopenhagen in 1845 (N.L. Westergaard), in Krakau in 1860 (B. Julg), …

Vooral in Duitsland kon de nieuwe golf van interesse voor Indië de al eerder bestaande belangstelling voor het Nabije Oosten niet temperen. Maar hier zowel als elders taande de belangstelling voor China, in tegenstelling tot de voorgaande eeuw. Pas in het laatste derde van de 19e eeuw zou China die achterstand weer ophalen.

En zoals in heel Europa was er ook in Duitsland een plotse bloei van verenigingen, maatschappijen, academies en publicaties met betrekking tot het Oosten. De belangrijkste daarvan was haast zeker de Deutsche morgendländische Gesellschaft te Leipzig met zijn overbekend tijdschrift.

 

De bloei van de academische en romantische oriëntalistiek

In heel Europa zijn de verschuivingen van de 18e naar de 19e eeuw opvallend: van China naar Indië, van een praktische naar een speculatieve benadering, van de inheemse naar de klassieke talen, van individuele naar geïnstitutionaliseerde inspanningen, van een mono-disciplinaire aanpak naar een integratie in de grote transdisciplinaire stromingen.

Deze kentering had een toename van nieuwe instellingen tot gevolg, een vernieuwing van de bestaande en een spectaculaire uitbreiding van de kennis terzake. In elk Europees land was de beweging voelbaar, hier en daar al wat eerder of wat intenser dan elders, met variërende originaliteit en minder of meer verbonden met internationale netwerken.

In Italië bestond een lange traditie van contacten met het Nabije en het Verre Oosten; de Oosterse Renaissance met haar universitaire implicaties sloeg er dan ook aan. Van 1849 af waren er in Pisa cursussen in het Koptisch, het Sanskriet en het Chinees. Het latere Istituto Universitario Orientale te Napels, al eerder actief, organiseerde van 1850 af cursussen Sanskriet en Iranees. Sanskriet werd verder nog onderwezen te Turijn in 1853, te Rome (1850), te Bologna (1860) en elders. Sinds Matteo Rippa, een van de opvolgers van Ricci, in 1711 te Napels het Collegio dei Cinesi had gesticht, sedert het eerste Japans-Italiaanse woordenboek in 1632 en de uitgave van de vertaling van de Ramayana door Gaspar Gorassio op het einde van de 18e eeuw was er in Italië reële vooruitgang geboekt op het gebied van de Oosterse studiën.

Het Iberische schiereiland had enerzijds een voorsprong, anderzijds een achterstand en de studie was er zeer geconcentreerd. De voorsprong was te danken aan het feit dat Spanje en Portugal als eerste Europese naties in contact kwamen met Indië en het Verre Oosten. De islamwereld bleef een prioritair gegeven, wat dan weer de concentratie op dat facet van het Oosten verklaart. De achterstand ligt hierin, dat de klassieke Oosterse instituten laat gesticht werden: de eerste leerstoel Sanskriet werd pas in 1877 opgericht aan de Complutense-universiteit te Madrid.

In de Noord-Europese landen bestond een reële belangstelling voor het Oosten, maar die bleef zeer beperkt. De Deen Rasmus Rask (1787–1832) trok door Indië, publiceerde een verhandeling over de ouderdom en de authenticiteit van het Zend die in 1826 in het Duits werd vertaald; nog in 1826 werd hij hoogleraar in de literatuurgeschiedenis en in de Oosterse talen. N.L. Westergaard (1815-?) nam dertien jaar na de dood van Rask de fakkel over na studies te Parijs, Londen en Oxford en na een lange reis in Indië. Later werden nog leerstoelen opgericht te Christiania (Noorwegen), Lund (Zweden) en Helsinki (Finland).

Nederland zat hier in een paradoxale situatie. De Nederlanders waren zeer vroeg aanwezig in het Oosten, maar het duurde tot de tweede helft van de 19e eeuw eer de Oosterse beschavingen echt werden bestudeerd aan de universiteiten. Vooral na 1850 speelde Leiden een vooraanstaande rol in de studie van het Sanskriet, het Chinees en het Japans, en van Indonesië in het bijzonder. De invloed van de Duitsers J. Hoffmann (1805–1878) en Ph. Von Siebold (1796–1866) was doorslaggevend bij de overgang van een hoofdzakelijk pragmatische, zakelijke of politieke aanpak naar een meer academische benadering.

België, in de onmiddellijke nabijheid en onder de invloed van drie grote tradities in de oriëntalistiek, ontsnapte niet aan de evolutie en speelde eens te meer zijn rol als kruispunt van Europa. Van bij haar stichting creëerde de Université libre de Bruxelles een cursus Arabisch en een cursus Oosterse welsprekendheid. P. Burggraff (1803–1884) die in Leuven, Bonn en Parijs had gestudeerd, bekleedde van 1837 af een leerstoel Oosterse talen en literatuur aan de universiteit van Luik.

 

De traditie aan de Faculteit Godgeleerdheid: aanzien en uitstraling.

Rond dezelfde tijd werd in Leuven de meer dan drie eeuwen oude traditie van het Collegium Trilingue geactualiseerd. J.T. Beelen (1807–1884) zorgde voor deze heropleving. Toen in 1834 de faculteit Godgeleerdheid heropend werd, nam hij de cursussen Schriftstudie, Hebreeuws, Arabisch en Aramees voor zijn rekening; in 1838 kwam daar nog de cursus letterkunde bij.

Na Beelen zijn er een indrukwekkend aantal belangrijke namen te noteren van specialisten die de basiscursus over de Heilige Schrift op zich namen. T.J. Lamy (1827–1907), een leerling van Beelen, werd zijn voornaamste opvolger. Na 1889 stond hij een deel van zijn opdracht, met name de Inleiding tot de geschiedkundige kritiek van het Oud Testament, af aan A. van Hoonacker (1857–1933). Het tweede gedeelte van Lamy’s erfenis ging in 1900 naar P. Ladeuze (1870–1940).

Tot dan toe werden de Oosterse studiën, en in het bijzonder de talen, beschouwd als hulpwetenschappen bij de bijbelexegese en als dusdanig gekoppeld aan de cursus over de Heilige Schrift.

Een blik op de lijst van de belangrijkste titularissen van de taalcursussen maakt de continuïteit duidelijk, maar brengt ook enkele nieuwe namen onder de aandacht. De cursus elementair Hebreeuws werd van 1858 af gedoceerd door T.J. Lamy die op zijn beurt in 1889 werd opgevolgd door A. Van Hoonacker. J.T. Beelen doceerde de hogere cursus Hebreeuws, bijbels Aramees, Arabisch en Syrisch van 1836 tot 1875; Lamy volgde hem op voor het hogere Hebreeuws en het Syrisch. Pas in 1885 nam J. Forget de cursus Arabisch weer op. Het Aramees verdween gedurende bijna een halve eeuw van de lijst der cursussen. Maar naast deze vier bijbelse talen kwam ook het Assyrisch aan bod (Van Hoonacker in 1890), het Egyptisch en het Koptisch (A. Hebbelynck in 1891 en 1892).

Enkele briljante persoonlijkheden steunden van buitenuit deze inspanningen. Zo was er Jean-Baptiste Abbeloos (1836–1906) die, na zijn studies te Leuven, te Rome en te Londen verbleef vooraleer hij belast werd met de cursus Heilige Schrift aan het Groot Seminarie te Mechelen. Daarna werd hij pastoor te Duffel, vervolgens vicaris-generaal en uiteindelijk rector magnificus van de Katholieke Universiteit te Leuven.

Vermeldenswaard is wel dat de Leuvense oriëntalistiek zich niet beperkte tot onderwijsactiviteiten, moeilijk opzoekingswerk en tal van publicaties; ze schonk de Alma Mater ook een ononderbroken reeks van drie rectoren tussen 1887 en 1940: J.-B. Abbeloos (van 1887 tot 1898), A. Hebbelynck (van 1898 tot 1909) en uiteindelijk P. Ladeuze (van 1909 tot 1940).

 

De Faculteit Wijsbegeerte en Letteren en de tijdgeest

Ook in de faculteit Wijsbegeerte en Letteren verruimde de belangstelling en ging die uit naar Indië en later ook naar China. Onder al diegenen die er actief waren, vallen twee grote namen op.

Felix Nève (1816–1893), leerling van Burnouf, werd in 1841 benoemd tot hoogleraar, als titularis van de leerstoel Griekse en Latijnse letterkunde. Daarbuiten doceerde hij een facultatieve cursus taal- en letterkunde van het Sanskriet. In die context begon hij te ijveren voor een volledige autonomie van de Oosterse studies. Door zijn cursussen maar ook en vooral door zijn werk was hij een der eersten die de Leuvense oriëntalistiek integreerde in de nieuwe Europese stromingen. Zo zorgde hij voor de kennisoverdracht in verband met Indië, het boeddhisme, poëzie en filologie.

De interesse van Charles de Harlez de Deulin (1832–1899) beperkte zich aanvankelijk tot Perzië, maar bestreek geleidelijk ook Indië, Mandsjoerije en China. Voor de Leuvense oriëntalistiek betekende dit een aanzienlijke verruiming. Zijn sterke persoonlijkheid was de motor achter de ontplooiing van een echte Leuvense school waarbij zijn tijdschrift Le Muséon het instrument bij uitstek was voor de uitwisseling van ideeën en informatie.

Philémon Colinet (1853–1917) nam de fakkel over en maakte in zekere zin de brug tussen de 19e en de 20e eeuw. Daarbij vond hij nog de tijd om strijdlustig te ijveren voor de toepassing van een pedagogiek voor het Grieks met nadruk op het persoonlijk werk van de student en voor een hervorming van deze studie in de kandidaturen van de faculteit Wijsbegeerte en Letteren.

 

Ontwikkelingen in de 20e eeuw en institutionalisering van de oriëntalistiek

De dualiteit Godgeleerdheid–Letteren bleef gehandhaafd in het eerste gedeelte van de 20e eeuw en de studie werd intens voortgezet in twee richtingen: enerzijds het Nabije Oosten, anderzijds de Indische wereld en die van het Verre Oosten.

Er doken ook nieuwe namen op. Wat het Nabije Oosten betreft moet zeker H. Coppieters (1874–1947) worden vermeld, hoogleraar Hebreeuws, eerste directeur van het Bijbels Museum en later bisschop van Gent. L.-Th. Lefort (1879–1959) is één van de grondleggers van de 20e-eeuwse oriëntalistiek. Als leraar was hij de opvolger van Hebbelynck en Ladeuze voor de cursus Koptisch en als onderzoeker publiceerde hij een negentigtal artikels en andere werken, hoofdzakelijk gewijd aan het christelijke monnikenwezen in het Oosten met zijn belangrijke figuren als Pachomius en Athanasius ;als beheerder van het onderzoekswerk leidde hij van 1920 tot 1959 het tijdschrift Le Muséon, richtte een bijhorende publikatiereeks op, de Bibliothèque du Muséon en was van 1936 tot 1950 voorzitter van het Instituut voor Oriëntalistiek. De erelijst van deze discipline telt nog heel wat namen; men denke hier vooral aan L. Cerfaux, G. Ryckmans (1887–1969), J. Forget (1896–1981) en R. Draguet. De linguïstiek heeft veel te danken aan A. Carnoy (1878–1961) wiens belangrijke werk Les Indo-européens. Préhistoire des langues, des moeurs et des croyances de l’Europe in 1921 te Parijs werd uitgegeven. De studie van het Verre Oosten bereikte een hoogtepunt met Etienne Lamotte (1903–1983).

Naast individueel wetenschappelijk onderzoek zijn er gemeenschappelijke of institutionele ondernemingen die al aan bod kwamen bij een of andere naam, die de krachten van de oriëntalisten bundelen en garant staan voor hun competentie. In de eerste plaats het tijdschrift Le Muséon, na W.O. I in 1920 heropgericht door Mgr. Lefort; daarnaast ook het Corpus Scriptorum Christianorum Orientalium, boven de doopvont gehouden door J.B. Chabot die had gedoctoreerd aan de Katholieke Universiteit Leuven en die achteraf de verantwoordelijkheid ervoor zou overdragen op de katholieke universiteiten van Leuven en Washington. Deze reeks leverde een rijke oogst op aan uitgaven, commentaren en vertalingen van Syrische, Arabische, Ethiopische, Koptische, Georgische en Armeense teksten.

De Leuvense oriëntalistiek kende ook een duidelijke uitstraling in meer geïnstitutionaliseerde vorm. In 1913 stichtte rector Paulin Ladeuze een Bijbels Museum en nog geen twintig jaar later werd de universiteitsbibliotheek verrijkt met een bijbels en semitisch seminarie.

Het geval van de Satsuma-leerstoel is interessant en verhelderend. In 1927 was de Japanse ambassadeur in België, Adachi Mine’ichiro, doctor honoris causa geworden aan de universiteit, als uiting van dankbaarheid voor de hulp die Japan had geboden bij de wederopbouw van de door de oorlog verwoeste universiteitsbibliotheek. Enkele dagen later deelde de ambassadeur aan de rector van de universiteit mee dat één van zijn landgenoten besloten had een leerstoel Japanse geschiedenis en beschaving te creëren. De weldoener was baron Satsuma Jihei, een bekend industrieel uit Tokio. Hij had zijn intentie kenbaar gemaakt aan baron Descamps, hoogleraar aan de universiteit en vice-voorzitter van de Senaat. De academische overheden aanvaardden onmiddellijk dit voorstel op grond van de volgende bepalingen: de schenking werd dusdanig beveiligd dat enkel de intresten de leerstoel en zijn bijkomende activiteiten in stand zouden houden; de leerstoel zou de naam Satsuma dragen en bedoeld zijn om het Belgische publiek vertrouwd te maken met de Japanse beschaving in het algemeen, zonder bijkomende inhoudelijke verplichting; de keuze van lesgevers, thema’s en programma’s zou bij het begin van elk academisch jaar gezamenlijk worden bepaald door de academische overheid en vertegenwoordigers van de Japanse ambassade; ten slotte zouden cursussen en conferenties openbaar zijn. De eerste titularis was pater Pierre Charles (1883–1954), hoogleraar aan de Gregoriana te Rome. Hij bezette zijn leerstoel van het academisch jaar 1928-1929 af tot bij zijn dood in 1954 (met uitzondering van de jaren 1940 tot 1945). Hij gaf zes lessen over de geschiedenis van de christelijke missies in Japan en concentreerde zich vervolgens op de contacten tussen Europa en Japan: de allereerste contacten tussen 1542 en 1549, de zending van Franciscus Xaverius te Kagoshima, de eerste Europese nederzettingen te Yamaguchi en te Bungo, de anti-vreemdelingenpolitiek van Tokugawa Ieyasu, de eerste Europese kennismaking met het boeddhisme en de Shintô, de eerste Japanse ambassade in Europa en, naar het einde van zijn leven toe, het boeddhisme en het militarisme en ten slotte de katholieke missies in Japan van 1865 tot 1880.

Nauwelijks tien jaar later werd het Instituut voor Oriëntalistiek opgericht, dat de twee traditionele Leuvense onderzoeksrichtingen groepeerde. Dit instituut werd de kroon op het werk van verscheidene generaties onderzoekers. Bij de aanvang van het academisch jaar 1936-37 had rector Ladeuze groot nieuws voor de oriëntalisten: de verschillende leerstoelen Oosterse filologie en geschiedenis werden eindelijk officieel samengevoegd in eenzelfde structuur.

De academische cursussen volgden deze ontwikkelingen. In 1909 creëerde de faculteit Godgeleerdheid een licentie en een doctoraat semitische talen. De doctoraatsproef omvatte een examen Hebreeuws, Arabisch, Syrisch, Assyrisch en Ethiopisch en de verdediging van een gedrukt proefschrift en een examen over de hulpwetenschappen. De diploma’s zijn vergelijkbaar met de licentie en het doctoraat Oosterse filologie van de faculteit Wijsbegeerte en Letteren.

In 1936 werd een nieuwe licentie Oosterse filologie en wijsbegeerte gecreëerd, toegankelijk voor houders van een diploma van kandidaat Wijsbegeerte en Letteren en aangevuld met een doctorsgraad na een examen over de gekozen talen en het voorleggen en verdedigen van een geschreven proefschrift. In 1963 werd een voorafgaande enige kandidatuur opgericht, wat het studieprogramma verrijkte met een cursus Japans.

 

De Leuvense oriëntalistiek: een sterk geëvolueerde maar levende traditie

Het laatste derde van de 20e eeuw doet de historische bloei alle eer aan, ook al ondervindt de Leuvense oriëntalistiek de weerslag van de evolutie die zowel de universiteit als het koninkrijk België doormaakte.

In de context van de Belgische taalkwestie met haar culturele en communautaire implicaties en de splitsing van de Leuvense universiteit in een Franstalige en een Nederlandstalige entiteit zijn de erfgenamen van het Collegium Trilingue, de specialisten oude en/of verre talen en culturen, na een relatief korte periode van samenwerking, opnieuw uit elkaar moeten gaan. Niet omwille van universitaire structuren of onderzoeksdoeleinden, maar naargelang hun taalregime.

Het zou overdreven zijn hieruit te concluderen dat de potentiële mogelijkheden van de oriëntalistiek erdoor verdubbeld zijn. Toch zijn beide instituten, tot dan toe zowat tweelingen, na de splitsing geleidelijk hun eigen weg gegaan.

Aanvankelijk gingen beide instellingen zich intens bezighouden met het Nabije Oosten, terwijl het Verre Oosten, hoofdzakelijk het werkterrein van Franstalige hoogleraren en onderzoekers, vooral werd bestudeerd in de jonge Franstalige instelling. De ontdubbelde Satsuma-leerstoel slaagde er als enige in sporadisch het Verre Oosten te vertegenwoordigen in de Nederlandstalige instelling. De leerstoel werd slechts af en toe bezet. In de daaropvolgende periode veranderde de situatie echter grondig en snel in gunstige zin, toen een nieuwe generatie aan bod kwam en ook als gevolg van min of meer gunstige omstandigheden en duidelijke politieke prioriteiten. Het Midden-Oosten en de studie van het Sanskriet waren aan de K.U.Leuven nog maar met mondjesmaat vertegenwoordigd, toen een ruim studieprogramma m.b.t. China en Japan tot stand kwam op het einde van de jaren ’70. Het Vlaamse Instituut voor Oriëntalistiek werd een volwaardig departement in de faculteit Wijsbegeerte en Letteren. De UCL daarentegen werd geconfronteerd met ernstige problemen. De problematische opvolging van Etienne Lamotte en het overlijden van Robert Shih waren zo goed als fataal voor de studie van het boeddhisme en van het Verre Oosten. De studie van het Sanskriet maakte moeilijke tijden door, tot een vernieuwde belangstelling voor de studie van Indië zich aandiende. Daartegenover kenden de studies van het Midden-Oosten en van het christelijke Oosten een nieuwe bloei.

Bij het begin van het derde millennium en op de 575ste verjaardag van de stichting van de Studium Generale te Leuven hebben de Leuvense oriëntalisten blijkbaar nog uitzicht op een mooie toekomst en een lange geschiedenis.

 

Paul Servais en W.F. Vande Walle

 

Uit: Orientalia: Oosterse studies en bibliotheken te Leuven en Louvain-la-Neuve. (Vande Walle, W., Ed., Servais, P., Ed.). Universitaire pers, Leuven, 2001. (Symbolae Facultatis Litterarum Lovaniensis

Series B / Vol. 20).

 

(foto's: de Oostaziatische bibliotheek die Chinese, Japanse en Koreaanse collecties bevat)

leeszaal

 

leeszaal

 

Sino-Japanse bibliotheek